

uit Handelen nr 5 2024.
Guy Vanautgaerden ademt Artois: hij werkte bijna 34 jaar in deze brouwerij, bouwt naarstig voort aan een Artoismuseum in Haasrode en publiceerde als kers op de taart zopas een boek over Léon Verhelst. Hiermee redt hij deze fascinerende figuur,die tot in Afrika brouwerijen mee hielp oprichten, terecht van de vergetelheid.
Guy is letterlijk geboren en getogen in de horeca. Zijn ouders runden immers indertijd ‘In de Molen’, nog altijd een druk bezocht eet-staminée, in Bierbeek. Guy zag het licht in het Expojaar1958, studeerde Germaanse Filologie aan de KU Leuven en gaf daarna zeven jaar les in het Koninklijk Atheneum in de Naamsestraat en campus Redingenhof, het RITO in de Rijschoolstraat en de Provinciale Normaalschool Tienen (PNT). Hij nam net deel aan selectieproeven bij BACOB toen hij via Vincent Brusselmans, de toenmalige algemeen directeur van de brouwerij die ook in Bierbeek woonde, bij Artois terecht kwam als verkoopafgevaardigde.
Bij Artois liep hij een uitgebreid parcours van verkoopleider over accountmanager tot acquisitiemanager belast met ovemames. Daarnaast vervulde hij alle pr-activiteiten voor de brouwerij in Leuven. “Eind 1987 werkte ik me eerst drie maanden onbetaald in, want mijn voorganger was al vertrokken, en in januari 1988 ging ik er officieel aan de slag. Dat jaar werd ik ook vader van Gert en in 1991 van Riana. Toen Gert twee jaar was, stelden we vast dat hij met gehoorproblemen kampte, een kwaal waaraan Riana later ook zou lijden. Mijn werkgever signaleerde me dat ik hiervoor een tussenkomst kon vragen van het Fonds Verhelst, dat afhangt van de brouwerij en voor werknemers bijpast wat het ziekenfonds niet betaalt, inclusief studiekosten. Omdat van diens oprichter Léon Verhelst, de eerste voorzitter van nv Brouwerijen Artois, helaas bijna niks meer bekend was – zijn tijdgenoten waren immers overle den – besloot ik in de jaren ’90 van vorige eeuw om later zijn leven in kaart te brengen in een boek”, vertelt Guy.
Voormalige en nog actieve medewerkers beslissen over de werking van dit fonds, dat eerst diens Belgische en daarna ook alle overgenomen brouwerijen in gans West-Europa dekte en zowat 8.000 tus enkomsten per jaar laat noteren. In februari 2023 contacteerde Marieke Van der Straeten, als manager van het Fonds Verhelst op de payroll van de brouwerij, hem voor zijn boek. “Léon Verhelst (1872- 1955), afkomstig uit Diksmuide, was kinderloos. In 1949 riep deze progressieve en vooruitziende ondernemer de juridische directeur bij zich omdat hij het gros van zijn financiële middelen na zijn dood aan een sociaal fonds voor werknemers van de brouwerij wilde schenken met de volle instemming van zijn Kortrijkse echtgenote Maria Nolf.
Naast dit sociaal fonds gaf hij de impulsen om een ziekenfonds voor het personeel op te richten en een soort gezinsvergoeding/kinderbijslag avant la lettre. Daar naast drong hij aan op de oprichting van de eerste ‘fabrieksraad’ die nadien de ondernemingsraad werd.
In het voorjaar van 1950 stortte hij 50.000 frank als start kapitaal in het Fonds Verhelst, één van de oudste nog steeds actieve welzijnsprogramma’s dat aanvankelijk tussenbeide kwam bij de huisvesting en algemene sociale ondersteuning van het personeel. Toen hij in 1955 overleed, kwamen nog veel meer financiële middelen vrij. Die belegde de raad van bestuur jaren nadien toen Interbrew naar de beurs stapte, waar door dat vermogen nog aangroeide en het Fonds Verhelst één van de belangrijkste sociale ondernemingsfondsen van het land werd. Vandaag waakt het met de betaling van studiekosten, medische zorgen, psychologische begeleiding bij burn-outs, stervensbegeleiding en sportabonnementen over het volledige welzijn van de werknemers én hun gezin. Léon Verhelst wilde immers dat de kinderen van zijn medewerkers konden studeren en hamerde zijn ganse leven op (bij)studie.
Guy belicht in deze tijdsschets drie thematische blokken: Léon Verhelst als ondernemer, als mens (het sociale luik) en als academicus. “Na zijn studies aan de brouwerijschool keerde hij onmiddel lijk terug naar West-Vlaanderen. Hij liep stage bij zijn vader in de brouwerij en belandde enkele maanden later in brou werij Rodenbach, waar hij zes jaar lang directeur was omdat de zoon van de eige naar vroegtijdig was overleden. In brieven aan zijn professor Jules Vuylsteke, die de brouwerijschool mee had opgericht en er directeur van was, droomde hij ervan om een grote brouwerij te leiden in het bin nen- of het buitenland. Als hij daarin niet slaagde, wilde hij verdere brouwerijstudies doen in Engeland, Duitsland of zelfs de USA. Rond die tijd werd prof. Vuylsteke, die intussen een goede vriend was gewor en, gepromoveerd tot voorzitter van het departement Landbouwwetenschappen waaronder het Landbouwinstituut ressorteerde. Hij las in Verhelsts brieven diens ongenoegen en haalde hem in 1898 als assistent naar Leuven waarbij hij hem meteen aanstelde als waarnemend directeur van de brouwerijschool en de net opgerichte experimentele brouwerij verbonden met de school. Als hoofdredacteur van het Bulletin van de oud-leerlingen van de brouwerijschool publiceerde hij o.a. vele wetenschappelijke studies die in 25 Europese landen werden verspreid en gelezen. Bovendien was deze academicus erg sociaal bewogen: hij verzond honder en brieven om zijn studenten aan werk te helpen en werd “een tweede vader voor zijn studenten” genoemd”, drukt Guy Vanautgaerden zijn bewondering uit.
Léon Verhelst was tevens een ondernemer pur sang. In 1898, toen hij in Leuven arriveerde, was Artois nog een familiale brouwerij. De familie Artois was na het wegvallen van Johanna Maria uitgestorven en de brouwerij was na twee erfenissen eigendom geworden van bierbrouwer, katholiek senator en burgemeester van Wespelaar Edmond Willems. Hij kocht het domein waar nu de familie de Spoelberch woont en huwelijkte zijn dochters Elisabeth en Amélie uit aan respectieve lijk de familie de Spoelberch en baron de Mévius. Beide families hebben het nog altijd voor het zeggen in het Belgische luik van AB InBev, samen met Alexandre Van Damme van Jupiler die er nadien is bijgekomen. In 1898 was de afwikkeling van de nalatenschap van Edmond Wil ems nog aan de gang. Op aanraden van hun bankier, die suggereerde om een neutrale figuur tussen beide families aan te duiden, kwamen ‘de Spoelberch’ en ‘de Mévius’ bij rector priester Jan-Baptist Abbeloos en zijn opvolger Adolphe Heb belynck terecht. Die verwees ze door naar Léon Verhelst, die toen 26 jaar oud was en net in de brouwerijschool was begonnen. Verhelst werd voorzitter van de familiale sociëteit Groep Artois en adviseerde de families na een paar jaar om een naamloze vennootschap op te richten. In januari 1901 werden de statuten van nv Brouwerijen Artois gepubliceerd. Artois had toen al de Leuvense brouwerijen ‘de Franse Kroon’ en ‘Prins Karel’, die kleinzoon Leonard Artois reeds vóór de expansie in respectievelijk 1787 en 1793 had overgenomen, ‘De Dijle’ aan de Vaartkom en ‘La Vignette’ opgekocht. Verhelst bleef tot zijn dood voorzitter van deze nv. De brouwerij bloeide onder zijn impuls. Hij huurde hij in 1898 een woning vlak bij café du Commerce op de Volksplaats, vandaag het Ladeuzeplein, en kocht hij een jaar later al een woning van toenmalig stadssecre taris Eugène Marguéry in de Leopold I-straat 18.
Schietpartij
Aan die voorspoed kwam abrupt een einde in 1914, toen de Duitsers Leuven binnen vielen. Léons echtgenote ging hulp bieden als verpleegster in het Sint-Thomas hospitaal op de plaats van het huidige Hoger Instituut voor Wijsbegeerte tussen de Vlamingenstraat en de Brabançonne straat, dat onder de vlag van het Rode Kruis was ingericht. Op een dag belde een groepje Duitsers bij hem aan en riep “Wir müssen nach oben”, waama ze vanop zijn balkon begonnen te schieten. Hierop kwam een ander peloton aangelopen dat Verhelst van de schietpartij beschuldigde. Gelukkig sprak hij wat Duits en geloofden ze hem, waardoor ze hem niet verklikten. Desondanks vond er een discussie plaats, waarbij driemaal op hem werd gemikt zonder hem te raken. Die nacht gooiden de Duitsers heel Leuven en ook Verhelsts woning plat, waarbij zijn archief over de grootste Belgische brouwerijen in rook opging; gelukkig vond hij na de oorlog nog wel zijn originele cursus terug op een pupiter in de brouwerijschool. De basisnoden die ze eerst moesten lenigen waren het identificeren en begraven van meer dan 250 lijken, het bieden van opvang aan inwoners in houten barakken en het voorzien van voedsel, kleding en gaandeweg ook steenkool. In de binnen stad waren immers meer dan 1.200 huizen platgebrand en vielen 220 burgerslachtoffers door fosfortabletten en benzinebommen. Nadien startten Verhelst en zijn medestanders voorzichtig met de wederopbouw; tot januari 1919 vonden meer dan 200 vergaderingen van de gemeenteraad plaats. Léon Verhelst kon de stad echter slechts van september tot december 1914 mee besturen. De Duitsers richtten immers een onderzoekscommissie naar oorlogsmisdaden op die hem sommeerde om te getuigen. Verhelst nam hierbij geen blad voor de mond, waardoor hij al eind december 1914 moest vluchten naar de brouwerij ‘Brasserie de Nice’ in Nice”, weet de auteur.
Léon Verhelst was als ondernemer immers niet alleen bij Artois actief. In 1906 richtte hij samen met Antwerpenaars de ‘Brasserie de Nice’ in Nice op dat het bier ‘Rubens’ brouwde. In 1923 gaf hij de aanzet tot de oprichting van brouwerij Alken door de betrokken families bij elkaar te brengen. In Algiers hield hij de ‘Brasserie d’Alger’ mee boven de doopvont en in 1927 droeg hij bij tot de uitbreiding van de Noord-Afrikaanse ijsfabriek ‘Société Frigorifique et Brasserie de Tunis’ (SFBT) met een brouwerij; brouwerijen hadden toen immers een grote behoefte aan ijs. Als professor aan de Leuvense universiteit plande hij al zijn bezoeken aan die buitenlandse brouwerijen tijdens zijn vakanties. Dankzij zijn ondernemerschap kon hij de ganse oorlog in ballingschap in Nice verblijven. Hij bleef Artois besturen via briefwisseling met baron de Mévius en zijn zoon; we hebben in hun dossier een aantal oorlogsbrieven over de heropbouw en uitbreiding van de brouwerij teruggevonden waaruit bleek dat Léon Verhelst richtlijnen bleef geven, o.a. over hoe de brouwerij aan grondstoffen moest geraken.
Eind april en op 12 mei 1944 werd de brouwerij bestookt door geallieerde bommenwerpers die de stationsomgeving viseerden maar – vooral door de mist – hun doel misten. Bij het eerste bombardement werd de pilsbrouwerij geraakt, bij het tweede werden Wilsele en de brouwerij van hoge gisting getroffen. Nadien zette Léon Verhelst zich tot zijn overlijden in voor de heropbouw”, meldt Guy Vanautgaerden.
Hij benadrukt dat Léon Verhelst persoon lijk alle overnamedossiers door Artois (van de brouwerijen ‘De Eendracht’ en ‘La Vignette’ en de brouwerij van de gezusters Van Tilt) aanstuurde. “Daarvan bezat hij stapels documentatie en hij voerde meestal mee de onderhandelingen. Hij heeft bovendien tot zijn laatste dag gewerkt. Op 17 november 1955 vroeg hij zijn juridische directeur Raymond Boon echter om tot bij hem te komen; hij kon immers om gezondheidsredenen de volgende dag de bijeenkomst van de raad van bestuur niet bijwonen die op zijn initiatief om de twee weken en “sans dîner de chasse” plaatsvond.
Léon Verhelst overleed op 83-jarige leeftijd . Hij en zijn echtgenote liggen begraven aan de Park abdij, waar één klok van de Vredesbeiaard (die op 11 november 2018 honderd jaar na de wapenstilstand werd ingehuldigd) zijn naam draagt. “Ik werkte meer dan 800 uren aan mijn boek ‘Léon Verhelst: Onvermoeibare duizendpoot en trouwe dienaar’, de eerste publicatie die gewijd is aan dit boeiende boegbeeld van de brouwerij Artois. De paperback is uitgegeven bij Acco, telt 322 pagina’s en meer dan 300 foto’s en wordt op 500-exemplaren gedrukt, waarvan al meteen honderd exemplaren bestemd zijn voor het Fonds Verhelst. Het werk is voor 30 euro (25,50 euro met Acco-aandeel) te koop bij Acco, de Standaard Boekhandel en bol.com”, licht de auteur toe.

