De 2de wereldoorlog

Aan de hand van de documenten die ik vond in de archiefdoos van mijn ouders en de latere verhalen in de jaren 50-60 die ik hoorde vertellen in het café door mijn ouders en de klanten van het café kan ik nu toch een beeld geven van die tijd.

Mijn eerste interesse werd gewekt in het eerste leerjaar in de dorpsschool waar ik een gedicht moest leren dat een ode was aan de gesneuvelde soldaten van de oorlog. Als 6-jarige werd ik daarna door de klanten in het café regelmatig gevraagd dit gedicht te declameren. Ik kroop op een toogkruk om dit te doen en op het einde sprong ik daar af om geknield de gesneuvelde soldaten te eren. Menige klant kreeg dan tranen in de ogen en ik moest met een klak van iemand in de gelagzaal rond gaan om wat snoepgeld te verzamelen.

een originele barkruk uit het café.

België en Nederland werden op 10 mei 1940 door Duitsland aangevallen. Op 14 mei gaf het Nederlandse leger zich over. België capituleerde na achttien dagen verzet op 28 mei.
De daaropvolgende bezetting duurde in België tot 17 september 1944 en in Nederland ten noorden van de grote rivieren tot 6 mei 1945.

Waarnemend Burgemeester.

Na de bezetting van België door Duitsland, rekende de bezetter erop dat de lokale besturen, gewoon en onderdanig zouden doorwerken. Maar er was nogal wat ontreddering door dat één derde van de burgemeesters en schepenen op de vlucht was geslagen en sommigen kwamen maar laat of zelfs helemaal niet meer opdagen.

In Brabant zaten 175 van de 350 gemeenten zonder burgervader, en dikwijls zonder ambtenaren en geld, want dat was vaak meegenomen tijdens de vlucht. Ook de hogere overheid, waarbij de gemeentes hadden kunnen aankloppen, was met de geldmiddelen vertrokken. De Nationale Bank en parastatale financiële instellingen van de staat hadden het land verlaten, in navolging van de regering.

Er moest dringend hulp en voedsel geleverd worden en de Bestendige Deputatie van Brabant besliste al op 20 mei 1940 naar noodmaatregelen te grijpen. Een provinciale hulpdienst kreeg de opdracht de werking van de gemeentelijke administratie weer op gang te brengen, en wanneer geen bevoegde autoriteit aanwezig was, een comité van notabelen aan te stellen, om tijdelijk die administratie te leiden. Hij stelde zo 113 plaatsvervangende tijdelijke burgemeesters aan. En zo werd ook Louis Vanautgaerden, die recht tegenover het gemeentehuis woonde en veel aanzien had in de gemeente als houthandelaar en caféuitbater, aangeduid als plaatsvervangend burgemeester. 

Ze werden daarbij belast met een massale hoeveelheid aan opdrachten voor het verstrekken van informatie over de meest uiteenlopende zaken. Bij de rechterlijke onderzoeken na de oorlog, was het soms moeilijk de lijn te trekken tussen wat rechtmatige informatie was geweest en wat gewoon verklikking was. Het probleem lag vooral in de lijsten die van de gemeenten werden geëist van onder meer Joden, verzetslieden, werkweigeraars of op te pakken gijzelaars.

De lokale bestuurders werden de hele oorlog door geconfronteerd met aanzienlijke problemen zoals de voedselvoorziening en -schaarste, de rantsoenering en de zegelbedeling, de bestrijding van de zwarte markt, de ordehandhaving, de vrijwillige of verplichte tewerkstelling, de eigen financiële middelen, de vluchtelingenproblematiek, het onderhoud en het herstellen van schade aan infrastructuur en gebouwen, de werkloosheidsproblematiek en de sociale voorzieningen.

voorbeeld van voedselbonnen.

Ze moesten daarbij gevolg geven aan de talrijke regels en bevelen die door de bezetter hetzij aan de nationale voogdijoverheden, hetzij rechtstreeks aan de burgemeesters en de gemeentebesturen werden opgelegd.

De maatregelen voor bevoorrading en vooral dan voor het voedsel blijven een knelpunt gedurende de gehele bezetting. Zij moeten de verschillende tellingen van landbouwproducten organiseren en zorgen voor de plaatselijke verdeling van een groot aantal producten. Zij zorgen voor de verschillende controles en beschikken over de ravitailleringsschema’s en de broodnodige zegels. Naarmate de oorlog vordert worden zij dikwijls de ‘Kop van Jut’ voor de bevolking, zeker wanneer de bevoorrading slechter wordt.

Maalregister en controle door de Duitse bezetter.

Vanaf 30 augustus 1940 moet de maalder, verplicht een register bijhouden waarin alle maalactiviteiten van tarwe en rogge per datum en op naam van de aanbieder en het aantal kilo’s worden genoteerd De controle gebeurt door controleurs, aangesteld door de Duitsers.

Op regelmatige en onaangekondigde tijdstippen werd dit alles door de bezetter gecontroleerd of het register en alle aanwezige zakken in de molen klopten. Elke zak werd op zijn inhoud nagezien door middel van een ijzeren staaf met op de punt een trechter, die door de zakken werd gestoken om zo tot op de bodem de inhoud te kunnen vaststellen.

Mijn vader, was daarover behoorlijk kwaad omdat dit heel wat schade berokkende aan de graanzakken en veel herstelwerk met zich meebracht.

Tijdens één van dergelijke controles werd door een Duitse officier zo driest te werk gegaan op de graanzolder dat hij van de ene zak naar de andere sprong om de stalen te nemen en geen enkele zak oversloeg. Door zijn wilde sprongen over de zakken verloor hij hierbij zijn pistool dat tussen de zakken verdween. Mijn vader zag dit gebeuren maar zweeg omdat hij zo kwaad was voor de kapot gestoken zakken en de officier vertrok met zijn manschappen.

Nadat zij uit het zicht verdwenen waren, nam hij snel het pistool en begroef het in een jutezak in de tuin.  Niet lang erna, kwam de officier terug met een gewapend peloton (12 man) soldaten die op zoek gingen naar zijn wapen. Mijn vader gebaarde van niets en de molen en het huis werden binnenste buiten gekeerd maar uiteraard zonder resultaat!

Lang na de oorlog vond ik na mijn zoektocht door het huis, in de lade van de slaapkamerkast van mijn ouders de revolver en de lader met vijf kogels in geolied bruin kartonpapier. Mijn moeder was daar behoorlijk kwaad over en de revolver verhuisde naar een andere schuilplaats.

Nadien is er één kogel mee afgevuurd in het ‘zavelkot’ op Meren door Gustave Gathy in aanwezigheid van mijn vader en waar ik getuige van was. Het werkte nog perfect.
Omdat er een nieuwe wapenwet kwam en er niet alleen aangifte moest gedaan worden van het bezit, maar dat ook een strenge wapenvergunning moest aangevraagd worden werd het pistool door mijn oudste broer Désiré geschonken aan een wapenverzamelaar die het onklaar maakte.

Collaboratie & Verzet

Tekst uit het ledenblad van de vereniging van weerstanders en verzetslieden in de jaren ’70 dat ik vond in de documenten- en fotodoos.

Verslag van A. Vandessel

Rond eind augustus, begin september 1943 kwamen nieuwe ‘figuren’ toe te Leuven, ’t zij op eigen verzoek, ’t zij bij dienstnoodwendigheden.  Tussen deze nieuwe elementen waren er nieuworde ‘Duits’ gezinde bij, onverschillig of neutraal elementen maar ook echt goede vaderlandsgezinden.

Onder hen was een oud gekende, die vroeger in 1938/1939 te Leuven was geweest, opperwachtmeester TULLEN, kwam van de brigade Ukkel, I.A.D. agent van een verbrande lijn
‘Beaver-Baton’, waar door de Duitsers verschillende aanhoudingen gebeurd waren.
Hij genoot van de nog in de rijkswacht betrouwbare overheid en het Parket waar hij ten volle aanvaard werd en namen hem onmiddellijk in vertrouwen voor de meest kiese opdrachten. Tullen werd hoofd van de Opsporingsbrigade waardoor hij een onbegrensde activiteit aan de dag kon leggen over heel het gerechtelijk arrondissement Leuven en steeds in burger optredende. Hij mocht twee medewerkers uitkiezen voor zijn opdrachten: wachtm. Albert Vandeplas Albert en Leon Putseys.  

Zowel voor de oorlog (1938/1939) als tijdens de oorlog brengt Fernand Tullen en Leon Putseys regelmatig in burger een bezoek aan mijn grootvader Désiré voor het bekomen van inlichtingen en wordt dan ontvangen in de voorplaats of de keuken. Na de oorlog zal dit zich nog dikwijls herhalen bij mijn vader en moeder en ik kan mij nog de figuur van Tullen in mijn geheugen oproepen als een rijzige, vriendelijke man.

Verslag van F. Tullen

(letterlijk en gedeeltelijk uit het verslag)
Tijdens de periode toen onze bondgenoten het zeer moeilijk hadden met de Duitse bezetters waren er niet veel weerstanders. Een eerlijke objectieve “informateur” in een dorp vinden was dan ook een gróot probleem in een gerechtelijk arrondissement zoals Leuven. Later in april-mei 1944 vond men opportunisten en meelopers aan de vleet. Spijtig genoeg vonden zij dikwijls toegang bij een bepaalde weerstandsgroep met alle nadelige gevolgen, maar aI te goed gekend binnen onze generatie.

Tijdens de jaren 1942 tot 1944 had de opsporingsbrigade een niet gekende objectieve ‘informateur’, een maalder die de naam had een V.N.V.-er te zijn en in de ogen van sommigen een ‘zwarte’ (lees collaborateur) was. Het was een man met een goed karakter die heel wat arme mensen geholpen heeft en zich niet bezighield met sluikhandel. Bij de bevrijding waren er mannen uit ‘het laatste uur’ die zijn rekening gingen maken, men sprak van hem te vermoorden. De opsporingsbrigade, met akkoord van een paar magistraten, en de betrokkene zelf, sloten hem op in de kazerne ‘De Bay’.
Op die manier onttrok men hem aan elke mogelijkheid om hem te vermoorden. Een tijd later, toen de gemoederen weer tot bedaren gekomen waren, werd hij op vrije voet gelaten. Zo ontsnapte hij aan het ergste!

dit stukje uit een lang verslag uit 1970 , ondertekend door de voorzitter F. Tullen gaat ongetwijfeld over mijn vader Romain.

Alle vertrouwbare opdrachten waar weerstanders in betrokken, opgesloten in de gevangenis of nog op vrije voeten, kwamen in zijn handen terecht. Misdrijven gepleegd met behulp van wapens, (banditisme, overvallen, moorden enz…) moesten aan de bezetter gemeld worden en diende vooral na te gaan of het al dan niet acties van de weerstand betrof en werden er verschillende valse weerstanders ontmaskerd in verband met gepleegde misdrijven.
Tullen met zijn ploeg verzamelde alle inlichtingen en namen alle kontakten.

Op eigen beweging verdeelde Tullen op 1.9.1944 al de in bewaring gebleven wapens aan de leden van het Geheim Leger. Op 2.9.1944 kreeg Tullen het bevel dat alle manschappen de kazerne moesten verlaten. Zij vestigden zich in Bierbeek en langs de baan Leuven-Tienen, de vermoedelijke aftocht van de Duitsers. Hier werden die dagen nog 7 Duitsers krijgsgevangen genomen die overgeleverd werden aan de Engelse troepen.

Op 6.9.1944 kwam de groep terug naar de brigade Leuven en begon onmiddellijk aan een andere taak in opdracht van de gerechtelijke, militaire en burgerlijke overheid.
De opsporingsbrigade werd versterkt door een zestal leden van de rijkswacht en begon aan de zware taak – opheldering van al de misdrijven gepleegd tijdens de bezetting – de daden van de weerstand plaatsen in een zuiver daglicht – opzoeken van verdachten en verraders – taak die zij tot ieders voldoening kweet. (uit verslag van A. Vandessel)

Toelichting:

Mijn vader werd in 1932 als 16-jarige, onder impuls van de onderpastoor van Bierbeek, een Vlaamsgezinde, kortstondig lid van het V.N.V.(Vlaams Nationalistisch Verbond) dat toen zo wat kon vergeleken worden met een Vlaamsgezinde jeugdbeweging zoals na de oorlog de Chiro en de BJB (Belgische Jonge Boeren).
Franstalige aristocratische kringen domineren de politieke en economische wereld. Nog voor de inval van de Duitsers had mijn vader zijn lidmaatschap 1932-1936) van het VNV opgezegd. Was dit de oorzaak voor wat volgt?

De Witte Brigade

Op het einde van 1943 en zeker na de landing in Normandië op 6 juni 1944 werd ‘de Witte Brigade’ erg actief in het Leuvense.
In augustus 1944 werd onze familie belaagt door de ’Witte Brigade’ die op een zondagmorgen hakenkruisen op de gevel van de molen en café kwamen kladden. Grootmoeder Amelia sloeg alarm toen zij naar de vroegmis van zes uur wou gaan. Met man en macht werd onmiddellijk ingegrepen om de vuiligheid van de muren te krijgen waarin zij tegen de tijd van de Hoogmis van tien uur glansrijk slaagden.

Waarom werd onze familie geviseerd?

In 1930 is er nog maar één generatie studenten in Vlaanderen die in het Nederlands zijn afgestudeerd nl. aan U-Gent. Franstalige aristocratische kringen domineren de politieke en economische wereld. Bijna alle zaken van zelfstandigen in Leuven dragen een Frans uithangbord. De Vlamingen komen uit de eerste wereldoorlog als tweederangsburgers.
Uit de verhalen van de soldaten aan de ijzer horen wij dat de bevelen van hun officieren altijd in het Frans waren ” Pour les Flamands, la méme chose!”

Vanaf de bevrijding werden de verzetsgroeperingen publiek erg actief om alle collaborateurs uit hun huizen te halen en af te voeren naar de De Bay-kazerne in de Tiensestraat die van af dan gebruikt zal worden als interneringscentrum.

Mijn vader werd op zondag 3 september 1944 door twee gewapende en gemaskerde verzetslieden uit Leuven in de voorplaats van de woning aangehouden in aanwezigheid van mijn moeder en grootouders. Hij werd aangewezen door twee meelopers van de ‘Witte Brigade’ en dan nog wel zijn overburen, een bakker en een fietsenmaker- caféhouder, uit de Dorpsstraat. Hij werd afgevoerd naar de De Bay-kazerne in de Tiensestraat te Leuven. Mijn moeder ging hem daar opzoeken om zijn onschuld te bepleiten en zij kwam F. Tullen tegen die zich afvroeg wat zij daar kwam doen. Tullen stelde haar gerust en zei dat hij hem nog een paar dagen in de kazerne zou houden uit veiligheidsoverwegingen.

Het vervolg lees je in het verslag van Fernand Tullen. Op zaterdag 8 september werd hij vrijgelaten en keerde hij terug naar huis.

Vanaf 1 september 1944 begon de massale terugtocht van de Duitsers uit Leuven en op 4 september werd Leuven bevrijd door de Britse Royal Guards.

Omdat de verdachtmakingen en roddels moesten stoppen kreeg hij een jaar later van de burgemeester van Bierbeek onderstaand getuigschrift voor goed burgerlijk gedrag tijdens de vijandelijke bezetting.

In 1945 kreeg mijn vader ook het bezoek van een kopstuk van het verzet die een winkel had in de Muntstraat, recht over de achterkant van het stadhuis. Die man kwam op zijn knieën vergiffenis vragen aan mijn vader omdat hij de opdracht had gegeven voor de aanhouding en nu besefte dat het een vergissing was geweest. Mijn vader was zeer kwaad en dreigde de man de kop in te slaan. Gelukkig kon mijn moeder dat voorkomen.

Enkele weken nadien kwam de man toch terug met een porseleinen sierstuk uit zijn winkel. Hij smeekte nogmaals om vergiffenis en uiteindelijk werd dit pijnlijk hoofdstuk afgesloten.

Het porceleinen geschenk.

De Vanautgaerdens waren in Bierbeek pratikerende katholieke parochianen en politiek verbonden met de Katholieke Volkspartij (CVP) maar zij bleven Vlaams gezind. Mijn vader was lid van het St Cecilia zangkoor en vaste klokkenluider voor de zondagse missen en begrafenissen.

1954 Katholieke Werklieden Bond (KWB). Romain boven 2de van rechts.
Zangkoor St. Cecilia. Romain uiterst rechts.
Romain (midden) als gebuur in de rouwstoet van F. Deprez.

Later zal de aanhouding van mijn vader aanleiding zijn dat bij de opkomst van de politieke partij ‘Volksunie’ drie van zijn zonen hier naar overstappen.

Desiré en Herman zullen een politiek mandaat opnemen.